Eerlijk roosteren is een belangrijk uitgangspunt in vrijwel elke (food)retailorganisatie. Toch blijft het onderwerp structureel terugkomen in gesprekken met medewerkers, OR en HR.
Niet omdat planners verkeerde intenties hebben. Integendeel. Maar omdat eerlijkheid zelden expliciet is vastgelegd.
Planners maken dagelijks afwegingen op basis van beschikbaarheid, flexibiliteit, ervaring en onderlinge relaties. Dat voelt logisch en menselijk.
Maar het creëert patronen:
Niemand kiest hier bewust voor. Toch is het effect voelbaar op de werkvloer.
In (food)retail is dit effect sterker zichtbaar dan in veel andere sectoren. Winkels draaien op avondopenstellingen, weekenddrukte en wisselende klantstromen. Tegelijk werken veel medewerkers parttime of met flexibele contracten.
Wat gebeurt er dan?
De medewerker die altijd op zaterdag kan, wordt standaard ingepland. De ervaren kracht op een drukke afdeling krijgt bij piekmomenten structureel extra uren. De collega die ‘altijd ja zegt’ draait consequent de sluitdiensten.
Wat begint als praktische oplossing, groeit uit tot structurele ongelijkheid.
In een arbeidsmarkt waarin behoud van medewerkers cruciaal is, vertaalt dit zich direct naar hogere wervings- en inwerkkosten. Daarnaast raakt het de operatie: vermoeidheid op piekmomenten, lagere service en meer fouten tijdens drukte.
Eerlijkheid wordt zo geen principe, maar toeval.
Dit is geen cultuurvraagstuk. Het is een vraagstuk over hoe uren worden verdeeld binnen schaarste.
Willen we dat eerlijkheid afhankelijk is van wie het rooster maakt?